Openbare Daltonschool Leemvoort

samen spelen, samen leren

   logoklein

     obs De Leemvoort

      Steuterweg 2

  7054 CJ Westendorp

 tel.: 0315 - 29 81 68

 

Deze week

Geen bijzonderheden.

 

daltonlogo

Drie achtergrondstukken

Het begrip samenwerkend leren binnen het Daltononderwijs.

Samenwerkend leren is één van de pijlers van het didactisch handelen. Daltonscholen geven vanuit hun visie op onderwijs inhoud aan wat in de kerndoelen van de basisvorming "interactief leren " genoemd wordt en in het reguliere onderwijs nauwelijks aandacht krijgt.

De maatschappij vraagt om sociaal en communicatief vaardige mensen die in teamverband kunnen werken. Hoe zorg je ervoor dat leerlingen die vaardigheden bezitten?

Binnen het Daltononderwijs is samenwerkend leren een antwoord op deze vraag.

Uit onderzoek blijkt dat samenwerkend leren effectiever is dan leren in het traditionele onderwijs. Elkaar onderwijzen, hardop denken en actief bezig zijn met de stof blijken essentieel.

Bij samenwerkend leren staan die aspecten centraal.

Samenwerkend leren is een onderwijsleersituatie waarin de leerlingen in alledaagse groepen op een gestructureerde manier samenwerken aan een leertaak met een gezamenlijk doel. De leerlingen die samenwerken zijn niet alleen gericht op hun eigen leren maar ook op dat van hun groepsgenoten. Leerlingen leren met elkaar en van elkaar.

Bij het leren samenwerken ligt het accent op het sámenwerken in plaats van op samen wérken. De leerlingen vullen elkaar aan en helpen elkaar op basis van sterke en zwakke punten in de leervorderingen. Het leren samenwerken met anderen is zowel op school als in het latere dagelijkse leven voortdurend nodig.

Het samenwerken heeft als doel:

Het vergroten van het leereffect doordat leerlingen elkaar om hulp kunnen vragen bij het oplossen van een probleem. Het is een waardevolle aanvulling op het didactisch repertoire van de leerkracht.

Het actiever bezig zijn met het verwerken van leerstof.

Het bevorderen van de sociale ontwikkeling doordat leerlingen bij het samenwerken rekening dienen te houden met anderen en leren iets voor elkaar over te hebben. Ze leren omgaan met elkaar en elkaars verschillen.

Het bevorderen van het als mens goed functioneren; kunnen samen werken is hiervoor erg belangrijk.

De grens van de individuele vrijheid wordt altijd gevormd door de vrijheid van een ander.

Samenwerkend leren bevordert een positief pedagogisch klimaat.

Vijf basiskenmerken:

Positieve wederzijdse verantwoordelijkheid

De leerlingen moeten het gevoel hebben elkaar nodig te hebben bij de samenwerkingsopdracht. Zij weten dat ze elkaar nodig hebben om een activiteit met succes uit te kunnen voeren. De leerlingen hebben een groepsdoel en dat doel kan alleen maar bereikt worden, wanneer elk groepslid een bijdrage levert.

Individuele verantwoordelijkheid

De leerlingen weten dat ze ook individueel verantwoordelijk zijn. Elke leerling in de groep moet na afloop kunnen vertellen hoe het proces verlopen is en wat zijn eigen bijdrage is geweest aan het eindresultaat.

Directe interactie

De opdracht is zo geformuleerd dat deze de leerlingen uitnodigt om veel te praten. Door veel te praten wisselen de leerlingen kennis, ideeën en informatie uit. Bovendien ontdekken zij dat ze samen meer weten dan alleen. Het is belangrijk dat alle leerlingen aan de beurt komen.

Aandacht voor samenwerkingsvaardigheden

Een leraar besteedt bewust aandacht aan samenwerkingsvaardigheden.

Voordat het samenwerkend leren begint, kan een leraar bewust stilstaan bij een in te oefenen vaardigheid. Hij vertelt dat deze vaardigheid besproken wordt aan het eind van het samenwerkend leren.

Evaluatie van het samenwerken

Na een samenwerkingsopdracht kijken de leraar en leerlingen gezamenlijk naar het proces en product van het samenwerken. De evaluatie is heel belangrijk binnen het samenwerkend leren.

De vragen die een leraar zou kunnen stellen zijn: Hoe is het samenwerken gegaan? Wat heb je van de anderen geleerd?

Samenwerkend leren op onze school:

Bij ons op school krijgen de kinderen de gelegenheid elkaar te helpen bij spel en werk. Dit kan bijvoorbeeld zowel bij het spelen in de bouwhoek in de onderbouw, als bij het maken van een rekenopdracht in de bovenbouw zijn. Het samenwerken geldt voor het werken aan de taken en bij het groepswerk.

Leerlingen kunnen van elkaar leren, niet alleen kennis maar ook vaardigheden. Leerlingen leren veel van voordoen,samendoen en nadoen.

Kinderen willen graag samenwerken. Wanneer een leraar een vrije samenwerkingsopdracht geeft, kiezen leerlingen vaak een vriendje of vriendinnetje om in tweetallen aan de taak te werken.

Op het gebied van samenwerking maken wij het volgende onderscheid:

Samenwerken uit het oogpunt van sociale vorming:

De sociale vorming op school dient gezien te worden als een echte leerschool voor het latere leven.

Respect is hierbij een kernbegrip.

Een belangrijk uitgangspunt hierbij is dat we de kinderen leren dat ze niet met iedereen bevriend hoeven te zijn, maar wel moeten proberen om met iedereen te kunnen samenwerken.

Het ontwikkelen van waarden en normen loopt als een rode draad door ons onderwijs heen.

Didactisch samenwerken:

Hieronder verstaan we dat leerlingen elkaar helpen bij het verwerken van de leerstof.

Leerlingen krijgen de opdracht gezamenlijk, in tweetallen of in groepjes, een bepaalde taak uit te voeren.

Bij individuele taken kan een leerling uitleg vragen aan een medeleerling.

Leerlingen bieden elkaar, indien nodig, een helpende hand. Op onze school zie je in de hal en/of in de klas de volgende drie vormen:

Maatjes leren: In tweetallen wordt gewerkt aan de taak of aan een opdracht die de leerkracht heeft gegeven. Soms kiest het kind zelf een maatje, soms is er een systeem waarbij het kind afwisselend met klasgenootjes samenwerkt zodat kinderen elkaar beter leren kennen men leren samenwerken met iedereen.

Werken in groepjes: Een groepje van 3 of 4 kinderen werkt samen aan een opdracht. Meestal maakt elk kind een onderdeel van het werk.

Tutorleren: Een leerling helpt een medeleerling iets te oefenen. Deze vorm wordt ingezet bij het oefenen van technisch lezen. Het kan daarbij ook gaan om een oudere en een jongere leerling.

Bij het werken in de hal en in de klas gelden door de hele school heen dezelfde afspraken.

De belangrijkste afspraak is dat je anderen niet stoort door geluid (te hard praten) of ander storend gedrag. Ook wordt er gewerkt met de geluidswijzer waarop aangegeven wordt op welke geluidssterkte overlegd mag worden.

De leerkrachten zien er op toe dat iedereen zich houdt aan de afspraken. In de hal werken is een keuzemogelijkheid voor leerlingen die deze verantwoordelijkheid aan kunnen. Als het niet lukt werken de leerlingen in de klas en mogen ze het een andere keer weer proberen.

Belangrijke uitgangspunten bij samenwerken zijn:

Het principe "samenwerken" vormt de basis van het leren van en aan elkaar, het leren omgaan met elkaar.

De kinderen mogen elkaar op weg helpen, waarbij duidelijk is dat voorzeggen van het goede antwoord geen echte hulp is.

Groepsregels worden zoveel mogelijk samen vastgesteld. Het is belangrijk dat kinderen begrijpen waarom er regels zijn.

Samenwerkend leren, waarbij de kinderen van elkaar afhankelijk zijn om tot een goed resultaat te komen, is een werkvorm die we regelmatig toepassen.

Samenwerken is niet alleen hulp geven en hulp krijgen, maar ook overleggen, luisteren naar anderen, je mening leren verwoorden en die mening weer bijstellen als er betere argumenten komen van medeleerlingen. Leerlingen brengen hun gedachten onder woorden,leren argumenteren, passen hun 'waarheid' aan door nieuwe inzichten.

Leren samenwerken.

Met leren samenwerken wordt vanaf groep 1 gestart, waarna de ontwikkeling ervan verder uitgebouwd wordt tot groep 8. Zo worden de vaardigheden die ten dienste staan van het zelfstandig en samenwerkend leren, stap voor stap aangeboden. Het leren overleggen in teamverband, het dragen van verantwoordelijkheid voor de leerstof, het hanteren van sociale vaardigheden en het controleren van en reflecteren op eigen werk zijn nodig om het samenwerken goed te laten verlopen. Ook wordt gewerkt met klassenbouwers en teambouwers.

Klassenbouwers en teambouwers.

Een belangrijke randvoorwaarde voor samenwerkend leren is een goed pedagogisch klimaat. Andersom werkt het ook: samenwerkend leren draagt bij aan een goed pedagogisch klimaat.

Vanwege de grootte van de school werken we in combinatiegroepen. Wij ervaren het als knelpunt dat de leerlingen aan het begin van elk jaar te veel energie steken in het verwerven van een plaats binnen de nieuwe groep. Dit vindt zijn weerslag vooral tijdens het zelfstandig werken.

Door gebruik te maken van team-en klassenbouwers denken we ieder schooljaar sneller een groep neer te zetten, waardoor veel sociale problemen worden voorkomen. Elk jaar wisselt de groep van samenstelling omdat we in combinatiegroepen werken. We streven naar een optimaal leef- en werkklimaat omdat dit van grote invloed is op de resultaten en omdat dit de persoonlijke ontwikkeling van kinderen positief stimuleert. Leerlingen leren elkaar meer waarderen en respecteren en er zal ook minder 'groepjesvorming' plaatsvinden. Elk kind is actief lid van een lerende gemeenschap.

Omdat het leuke activiteiten zijn hebben ze ook plezier met elkaar. Er ontstaat zo week na week een steeds meer ontspannen sfeer. Leerlingen accepteren elkaar meer en ze spelen ook met meer kinderen uit de groep. Leerlingen reageren verbaasd en verrast op elkaar, en herkennen overeenkomsten tussen henzelf en leerlingen waarmee ze eigenlijk nooit omgingen.

En dat heeft weer een positieve invloed op het samenwerkend leren.

Werken met team-/klassenbouwers heeft niet alleen effect op de eerste maand van het schooljaar, maar zal het hele schooljaar doorwerken.

Samenwerkend leren wordt ook wel bewust ingezet als instrument voor de leraar om bijvoorbeeld samenwerkingsvaardigheden aan te leren. Een leraar pakt samenwerkend leren gestructureerd aan, waardoor het meer diepgang en kwaliteit krijgt.

Er worden afspraken gemaakt over: de manier van praten (volume, respect), over de rolverdeling en de verwachtingen van de groep en individueel groepslid.

De leraar zorgt er bovendien voor dat hij voor zichzelf helder heeft, waarom hij de leerlingen wil leren samenwerken.

Overal in het leven zal blijken dat een mens ondanks zijn vrijheid en zelfstandigheid niet zonder zijn medemens kan. Een medemens om steun aan te geven en om steun van te krijgen. Een medemens kan ook de grens van de persoonlijke vrijheid mede bepalen. De grens van de individuele vrijheid wordt altijd gevormd door de vrijheid van de ander. Daarom is het kunnen samenwerken een belangrijke vaardigheid voor het goed kunnen functioneren als mens.

Het begrip zelfstandigheid binnen het Daltononderwijs.

Een snel veranderende wereld veronderstelt dat burgers zelfstandig informatie kunnen en willen verwerven, zich een mening daarover vormen en deze duidelijk kenbaar maken. Ons onderwijs heeft de maatschappelijke taak voor te bereiden op een leven lang leren en willen leren. De huidige maatschappij vraagt om mensen met talent voor het oplossen van problemen. Dat kun je leren en dat kan alleen maar door zelfstandig je problemen onder ogen te zien en deze zelf proberen op te lossen.

Zelfstandig leren lijkt daarvoor een vanzelfsprekende methode. Maar over de mate waarin verschilt men nog al van mening.

Voor een verheldering van het begrip zelfstandigheid in een onderwijskundige situatie is het goed een onderscheid te maken tussen begrippen als zelfstandig werken, zelfverantwoordelijkheid, zelfreflectie en zelfstandig, zelfsturend en zelfontdekkend leren.

Bij zelfstandig werken leren de kinderen om te gaan met uitgestelde aandacht.

Bij zelfontdekkend leren draagt de leerlingen zelf de verantwoordelijkheid voor de manier waarop ze kennis verwerven en hun taken indelen. De taken liggen nog vast.

Bij zelfverantwoordelijk leren zijn er leersituaties waarin de leerlingen leren zelf doelen op te stellen. Ze maken keuzes hoe ze dit doeldoel willen bereiken. De leerstof wordt grotendeels aangereikt door de leerkracht.

Bij zelfsturend leren bepalen de leerlingen zelf de inhoud en de werkwijze en hebben ze de vrijheid om initiatieven te nemen die noodzakelijk zijn voor het eigen leerproces.

Pedagogiek:

In de ogen van Parkhurst heeft de wereld mensen nodig die zelfverzekerd en vol zelfvertrouwen zijn.

Ze zegt dat we het onderwijs zo moeten inrichten dat wij niet het werk voor de kinderen doen maar het mogelijk maken dat de kinderen hun eigen werk doen.

Zelfstandigheid, autonomie wordt in het Daltononderwijs als een psychologische basisbehoefte van kinderen gezien.

Ieder mens heeft er behoefte aan zijn leven zijn te richten zoals hij wil, zelf beslissingen te nemen, verantwoordelijkheid te dragen en zichzelf te kunnen zijn.

Vanuit deze visie kunnen we stellen dat ervaring van zelfstandigheid een noodzakelijke voorwaarde is voor een actieve en gemotiveerde leerhouding.

Zelfstandigheid betekent zelfwerkzaamheid en dit leidt tot een tot een betere begripsvorming bij de leerling.

De verantwoordelijkheid is de beperking van de zelfstandigheid.

Toch bevestigen onderzoeksresultaten dat veel leerlingen niet of onvoldoende in staat zijn informatie te verwerken zonder begeleiding. Zelfstandig werken moet je leren! Om zelfstandigheid te ontwikkelen is structuur nodig. In de organisatie is een goede doorgaande lijn nodig. Ook is een specifieke houding van de leerkracht noodzakelijk, hij moet een stap terug doen, van leider tot begeleider.

Ook moet de leerling de uitdaging willen en kunnen aannemen. Daarom wordt aan het basisbegrip autonomie een andere basisbehoefte toegevoegd: competentie. Een leerling moet het gevoel krijgen dat hij het kan. Competentiegevoel leidt tot zelfvertrouwen en tot de durf te ondernemen. Zo'n actieve leerhouding is essentieel voor het onderwijs.

Zelf actief problemen oplossen leert kinderen ontdekkingen doen, leert ze verwonderen en geeft ze zelfvertrouwen. Daarom laten veel Daltonscholen de kinderen actief meedenken ten aanzien van hun leerproces. Het onderwijs speelt in op de intrinsieke motivatie en natuurlijke nieuwsgierigheid van leerlingen.

Reflectie is erg belangrijk. Leerlingen zullen daarna moeten nadenken hoe ze hun werk aanpakken en wat ze willen bereiken. Daarom is het nodig dat kinderen hun eigen werk nakijken. De controle, de eindverantwoording ligt bij de leerkracht.

De leerkracht heeft een coachende rol in de klas, tijdens het zelfstandig werken moet hij een stapje terug doen.

De verschillen tussen leerlingen worden positief gewaardeerd.

Didactiek:

De leerlingen ontwikkelen hun zelfstandigheid door zelfstandig dingen te doen. Leerlingen leren stap voor stap hoe ze zelfstandig kunnen werken. Uit onderzoek is gebleken dat de zelfstandigheid van kinderen bij het ouder worden niet geleidelijk groeit. Er zijn juist periodes waarin ze minder zelfstandig worden. (pubers willen liever een klus doen of een opdracht uitvoeren en niet zelf alles uitdenken).

Leerlingen worden gestimuleerd om zelf oplossingen te bedenken voor uitdagende opdrachten. De nadruk ligt op het ontwikkelen van denkvaardigheden en leerstrategieën.

De leerkracht instrueert de kinderen gericht door het aanleren van strategieën, routines en aanpakgedrag en laat hen daarmee oefenen.

De leerkracht begeleidt de kinderen gericht bij het zelfstandig werken en leren. Hij stimuleert de kinderen om zelf hun problemen op te lossen, werk zelf te plannen en zelf te beoordelen.

De leerlingen werken met een taak; of dat een weektaak, een dagtaak of zelfs een taak per les is hangt af van de leeftijd en mate van zelfstandigheid van het kind. De kinderen leren plannen, de een is daar sneller mee dan de ander.

Kinderen leren verantwoordelijkheid te dragen, doordat ze de ruimte krijgen zelfstandig dingen uit te voeren.

Leerlingen kunnen elkaar ook begeleiden en instrueren.

Instructie en oefening zijn afgestemd op het niveau en de belangstelling van individuele leerlingen.

Kinderen leren reflecteren op hun eigen leerproces.

Organisatie:

Zelfstandig werken heeft veel gevolgen voor de school. De leerkrachten zullen in de organisatie van het onderwijs de nodige voorwaarden moeten scheppen maar ook zal de leerling moeten leren te organiseren om zo zijn zelfstandigheid te vergroten. Het betekent ook dat de materialen geschikt moeten zijn voor zelfstandig werken en dat de inrichting van de klas aangepast moet zijn.

Het begrip zelfstandigheid op onze school:

Leerlingen kunnen in de klas zelf de benodigde materialen kunnen pakken. Dat betekent dat de leerkrachten de klassen met open kasten hebben ingericht.

Er zijn regels over het werken in de hal en er wordt gebruik gemaakt van een geluidswijzer.

Er zijn ook regels afspraken gemaakt over het elkaar helpen en ondersteunen.

De opstelling van de tafels in de klas is belangrijk. Er zijn voldoende werkplekken, ook in de hal. Er zijn afspraken waar je kunt gaan zitten. En over het gebruik van de computers.

Vanaf de kleutergroepen wordt gewerkt met uitgestelde aandacht. De kinderen hebben een kubus waarop ze kunnen aangeven of ze alleen willen werken of dat een ander kind hulp mag vragen en of ze hulp van de leerkracht nodig hebben. De leerkrachten hebben een grote kubus.

Voor jongere kinderen zijn er dagtaken voor de oudere weektaken. In groep 1 en 2 wordt gewerkt met het planbord. Ook gebruiken de kleutergroepen het dagritmepakket. Op de hele school wordt gewerkt met dagkleuren.

Het materiaal en de opdrachten waarmee de leerlingen zelfstandig werken zijn geschikt voor het zelfstandig werken. De kinderen kunnen werken met antwoordenboekjes. Er wordt gewerkt met een nakijkplek.

Voor het zelfstandig uitvoeren van opdrachten is het ook nodig dat de leerlingen gebruik kunnen maken van strategiekaarten waarop aangegeven staat hoe ze bepaalde opdrachten uit moeten voeren. (handelingswijzers)

Zelfstandig leren betekent ook leren om bijtijds hulp te vragen. Dit kan natuurlijk bij de leerkracht maar ook bij een klasgenootje.

Dalton is een manier van werken en omgaan met elkaar. Onze school schept ruimte en geeft de kinderen de gelegenheid om zelfstandig of samen te werken aan een afgesproken taak. Vanaf groep 1 worden de kinderen gestimuleerd zelfstandig te zijn. Ze leren stap voor stap hoe ze zelfstandig kunnen zijn. En wie dat nog niet lukt krijgt voorlopig nog begeleiding van de leerkracht. Voor sommige kinderen blijft dit nodig tot en met groep 8.

Het begrip vrijheid binnen het Daltononderwijs.

Vrijheid in gebondenheid

Vrijheid wordt binnen het daltononderwijs gezien als een van de drie grondprincipes. Sommigen spreken over vrijheid, anderen over vrijheid in gebondenheid. Er zijn ook mensen die liever over verantwoordelijkheid spreken.

Leerlingen moeten volgens Helen Parkhurst leren ijverig, oprecht, onbevangen en zelfstandig te zijn. Ze wil leerlingen in vrijheid laten werken. Maar dat betekent wel dat leerlingen niet zomaar moeten toegeven aan elke impuls die in hen opkomt. Een leerling die zich door impulsen en instincten laat leiden, is onvrij. Vrijheid moet niet ten koste van anderen gaan.

Kinderen leren vrijheid door ze vrijheid te geven. Kinderen leren verantwoordelijkheid doordat ze in de school verantwoordelijkheid leren dragen.

Het is haar pedagogische basisprincipe.

Het gaat daarbij om twee principiële zaken, namelijk keuzevrijheid voor de leerling en het delegeren van een stuk verantwoordelijkheid van de leerkracht aan de leerling.

Vrijheid is noodzakelijk om eigen keuzes te kunnen maken, eigen wegen te vinden. Maar vrijheid betekent niet dat alles zomaar kan en mag. De leerkracht biedt iedere leerling structuur om vrijheid binnen grenzen te kunnen leren hanteren.

Pedagogiek: het vrijheidsbegrip in het onderwijs

Om in vrijheid te handelen, te willen en te denken is de ontwikkeling van een eigen persoonlijkheid noodzakelijk. Om vrij te kunnen kiezen moet een kind een beeld ontwikkelen over wie hij zelf is en zijn mogelijkheden verkennen.

Vrijheid is voorwaarde voor zelfverantwoordelijkheid. Vrijheid beteken dat de leerlingen de gelegenheid geboden wordt, om werk zelf te plannen en te verrichten.

Dit wordt uitgebeeld in 'de daltondriehoek' van de Nederlandse daltonvereniging. Deze driehoek geeft de pedagogische basis weer voor het werken aan de drie daltonprincipes vrijheid, zelfstandigheid en samenwerken krijgen in dit schema een pedagogische basis.

Van leerkrachten wordt gevraagd leerlingen vertrouwen te schenken en ook vertrouwen te vragen. Ook is het nodig dat leerlingen verantwoordelijkheid leren nemen voor taken die in vrijheid zelfstandig en/of in samenwerking uitgevoerd worden en dat leerkrachten die verantwoordelijkheid aan leerlingen geven.

De derde zijde van de driehoek geeft aan dat leerkrachten aan leerlingen verantwoording vragen en dat leerlingen leren verantwoording af te leggen. Dat afleggen van verantwoording gaat niet alleen over het eindproduct van het leren, maar ook over het leerproces zelf.

Didactiek: Leren in vrijheid en/of vrijheid in leren?

Net zoals kinderen vrijheid en verantwoordelijkheid leren hanteren door ze dat te geven, zo leren ze ook zelfstandigheid doordat ze de ruimte krijgen zelfstandig dingen uit te voeren.

Bevordering van vrijheid krijgt vorm in de taak.

De taak wordt de leerling zo gegeven dat hij de leerling verplicht tot werken, maar hem vrijlaat in de aanpak en de wijze van verwerken. Bij het leren omgaan met vrijheid en verantwoordelijkheid spelen de volgende didactische principes een rol:

Gelegenheid geven tot handelen in vrijheid. Kinderen leren omgaan met vrijheid als ze de gelegenheid krijgen in vrijheid te werken en te handelen.

Instructie. We gaan ervan uit dat kinderen het niet vanzelf leren. Het is belangrijk dat leraren kennis en vaardigheden instrueren die nodig zijn bij het omgaan met vrijheid en verantwoordelijkheden in de klas.

Leren over jezelf. We hebben gezien dat vrijheid en verantwoordelijkheid te maken hebben met persoonlijkheidsontwikkeling en het leren kennen van je 'ik'. Het is daarom van belang dat leerlingen aandacht schenken aan zaken als hoe ze leren en wat ze (willen) leren.

Begeleiding en coaching. Kinderen moeten kennis en vaardigheden in tal van situaties in de klas en op school leren toepassen. De meeste leerlingen hebben daar begeleiding bij nodig. Om die begeleiding te kunnen geven moeten leraren goed kunnen observeren en ook weten waarnaar ze moeten kijken. Kinderen moeten ook het vertrouwen opbouwen om keuzes te durven maken. Niet alle leerlingen kunnen een grotere eigen verantwoordelijkheid voor hun leerproces goed hanteren. De mate waarin leerlingen vaardigheden voor zelfstandig leren beheersen bepaalt frequentie en duur van de begeleiding . Hoe meer zelfstandigheid een leerling aankan, hoe vrijer deze moet kunnen beslissen over de uit te voeren werkzaamheden.

Zelf initiatief in een geleidelijke opbouw. Leerlingen moeten zelf het initiatief krijgen bij hun leerproces om zo te leren omgaan met vrijheid en verantwoordelijkheid. Voor leraren betekent dit dat zij het leren op school weten te organiseren en deskundig kunnen begeleiden en beoordelen.

Vrijheid en verantwoordelijk moeten kinderen aan kunnen. Ze moeten daarbij als het ware in de zone van hun naaste ontwikkeling taken uitvoeren. Er moet enerzijds voldoende uitdaging zijn, anderzijds ook geen kansloze operatie. Ook hierin vindt een ontwikkeling plaats.

Leren door feedback en reflectie. Het achteraf geven van feedback of het laten reflecteren op activiteiten kunnen didactisch effectieve instrumenten zijn om de eigen kennis en vaardigheden te verbeteren. Leraren kunnen leerlingen keuzes en werkwijzen laten verantwoorden. Hierdoor leren leerlingen de consequenties van hun handelen te overzien.

Organisatie:

Het werken aan vrijheid van kinderen en het leren dragen van verantwoordelijkheid moet in school georganiseerd worden. Daarvoor gelden de volgende organisatorische voorwaarden:

School- en klassenregels.

Onbegrensde, absolute vrijheid bestaat niet, zeker niet in het onderwijs. Er zullen altijd regels en wetten gelden om de vrijheid van een ieder zo maximaal mogelijk te laten zijn. Om de zin van het stellen van regels te begrijpen wordt aan leerlingen gevraagd samen met de leerkracht de regels op te stellen.

Aanpassen van je inrichting.

Er moeten voldoende goede werkplekken zijn en open kasten waar zelfstandig te gebruiken materiaal te pakken is.

Leermiddelen.

Als kinderen in vrijheid mogen kiezen wat en hoe ze willen leren, dan moeten daar ook de middelen voor aanwezig zijn. Als we leerlingen verantwoordelijkheid willen laten dragen voor hun eigen werk en ze willen leren zelf hun werk na te kijken, moeten er wel bijvoorbeeld antwoordenboekjes zijn

Het begrip vrijheid op onze school.

Verantwoordelijkheid leren

Vrijheid betekent in ons Daltononderwijs: kunnen omgaan met verantwoordelijkheid.

Uitgangspunt is het vertrouwen in de eigenkracht van ieder kind. Docent en leerling maken samen afspraken over de leerstof. De leerling schat zelf in wat het nodig heeft om een taak te kunnen doen en in hoeveel tijd. Achteraf legt het verantwoording af aan de docent.

Het leren omgaan met vrijheid gaat stap voor stap. Bij kleuters gaat het om kleine, overzichtelijke keuzetaken die ze zelfstandig uitvoeren. Naarmate kinderen en jongeren zich verder ontwikkelen, worden taken omvangrijker en complexer. De leerlingen krijgen het vertrouwen van de leraar dat ze hun taak zullen uitvoeren en worden daar ook zelf (grotendeels) verantwoordelijk voor. De dag- of weektaak moet wel worden afgemaakt.

In vrijheid werken betekent dat er werk gemaakt wordt van de keuzevrijheid van de leerlingen.

Die vrijheid van keuze heeft vooral te maken met de keuze van:

Wat er geleerd wordt. Het gaat daarbij om de inhoud van het onderwijs. Meestal heeft deze keuzevrijheid te maken met uitlooptaken, keuzetaken of keuzeopdrachten. Soms mogen kinderen geheel eigen projecten uitwerken.

Hoe er geleerd wordt. Het gaat hierbij om het bieden van alternatieve verwerkingsmanieren.

Waar er gewerkt wordt. De kinderen mogen zelf een werkplek kiezen. Dat kan een plek zijn waar geconcentreerd alleen gewerkt kan worden, maar ook een groepstafel.

Of er alleen gewerkt of samengewerkt wordt. En als er samen gewerkt wordt, met wie er dan samengewerkt wordt. Soms kiest de leerkracht bewust een maatje voor de leerlingen om zo ervaringen op te doen met andere kinderen dan ze zelf kiezen.

In welke volgorde taken uitgevoerd wordt. Vaak staat er op een taak een aantal verplichte onderdelen. Leerlingen mogen daarbij echter zelf de volgorde kiezen.

De leerlingen geven in vrijheid zelf sturing aan wat er aan taken uitgevoerd moet worden. Het is belangrijk dat ze zoveel mogelijk in eigen tempo door kunnen werken.

De organisatorische voorwaarden zijn:

Werken met taken. Er wordt gewerkt met een takensysteem. In een onderbouw wordt gewerkt met een dagtaken en in de bovenbouw is dat gegroeid naar een weektakensysteem

Flexibele werkplekken. Het bieden van keuzevrijheid betekent ook dat leerlingen mogen kiezen waar ze willen werken. Wel gelden er in de hal afspraken over het gebruik van de computers en over welke groep gebruik maakt van welke tafels.

Open kasten. Om zoveel mogelijk in vrijheid en zelfstandigheid te kunnen werken mogen kinderen zelf materialen pakken en opbergen. Daarvoor is een aantal voorwaarden vervuld, zoals het werken met open kasten.

Extra werk: In elke klas is een extra werk-en keuzekast. Extra werk is leerstofondersteunend of juist verdiepend of verrijkend. De weektaak wordt zo gemaakt dat ieder kind minimaal één maal per week aan een keuzetaak toekomt.

Afspraken over nakijken e.d. We werken met een aantal afspraken, die de voortgang van het werk vergemakkelijken. Kinderen kunnen zelf hun werk nakijken. Er liggen materialen daarvoor in de klaslokalen.

Met deze uitgangspunten menen wij de kinderen een duidelijke meerwaarde te verschaffen, waardoor ze met een goed gevulde gereedschapskist de wereld in kunnen trekken. Een wereld waarin we een plek krijgen als beroepsbeoefenaar, waar mensen worden gewaardeerd om hun initiatief, verantwoordelijkheidsgevoel en creativiteit. Een wereld waarin je medeburger bent en waarin je je actief in wilt zetten voor de samenleving en de mensen die het nodig hebben.

***